MARKERINGEN op de band

Het volgende is bedoeld om de markeringen op een band in detail uit te leggen.  

1. Producent (merk)
2. loopvlak benaming / type band 
3. Breedte van de band in mm
4. Hoogte / breedte verhouding in %
5. Radiaal band
6. Diameter van de velg in inches
7. Tyre load index (draagvermogen)
8. Speed index
9. Tubeless
10. Productiedatum
11. Slijtage index (1,6 mm)
12. Extra aanduiding voor banden met verhoogd draagvermogen
13. Aanduiding van wintergeschiktheid voor winter- en all-season-banden

RF – Reinforced (aanduiding voor speciale verstrekte banden (hoog draagvermogen))
XL
– Extra load (aanduiding voor speciale verstrekte banden (hoog draagvermogen))
TL
– Tubeless
OWL
– Voor 4x4 banden: witte letters
BSW/BSS
– Voor 4x4 banden: zwarte letters
MO
– Mercedes Only; classificatie voor Mercedes voertuigen (kan ook op andere voertuigen gebruikt worden)
*
– (*BMW) = classificatie voor BMW voertuigen (kan ook op andere voertuigen gebruikt worden)
N0–N3
– Porsche classificatie (kan ook op andere voertuigen gebruikt worden)

FSL/MFS – Banden met een velgbeschermer (een rubberen rand die de velg enigszins beschermt tegen het schuren tegen de stoeprand)
C
– Commercieel: aanduiding van de karkasconstructie voor transportbanden
C 104/102
– Load index voor transportbanden (enkele-/dubbele banden)
RFT
– Banden met noodloop eigenschappen (run-flat band)
ROF
– Run-on-flat
EMT
– Emergency mobility tyre
SSR
– Self-supporting run-flat tyre

Breedte van de band (3)
De bandbreedte wordt opgegeven in millimeters (bijvoorbeeld 175 mm). Voor gewone personenauto's zijn dwarsdoorsnedebreedten van 125 mm (bijvoorbeeld 125/80 R 12) tot 335 mm (bijvoorbeeld 335/30 R 19) voorkomend. De breedte neemt toe in stappen van 10 mm. Speciale banden voor nieuwe band-wielsystemen (bijvoorbeeld TD-banden van Dunlop of TRX- of TDX-banden van Michelin) hebben verschillende breedtematen in millimeters. De breedtes variëren van 160 mm tot 240 mm. De werkelijke breedte varieert slechts in beperkte mate.

Hoogte/breedte verhouding (4)
Deze markering heeft betrekking op de verhouding tussen hoogte en breedte. ".../50" betekent dat de hoogte van de band 50% is van de bandbreedte. Lagere verhoudingsgetallen geven aan dat de band platter wordt - (225/45...) is typisch een maat voor een sportieve auto. Speciaal geval: Voor banden uit de 80 en 82-serie was eerder de aanduiding "... / 80" niet gebruikelijk. Als gevolg hiervan kunnen oudere autodocumenten nog steeds "155 R 13" tonen. Bij het kopen van een nieuwe auto komt dit overeen met "155/80 R 13".

Load Index LI (7)
Index m.b.t. het draagvermogen van een band. In een gestandaardiseerde tabel, krijgt elke LI waarde een draagvermogen toegewezen bij een bepaalde luchtdruk. Voorbeeld: "85" = 515 kg. De gemonteerde banden moeten ten minste overeenkomen met de voorgeschreven Load Index in de autodocumenten. De aanvullende informatie "reinforced" (12) is een aanduiding op banden met een bijzonder hoog draagvermogen (bijvoorbeeld voor bestelwagens, minibussen, terreinvoertuigen). Doorslaggevend hierbij is ook de (overeenkomstig hoge) LI-index.

Speed Index SI (8)
Index die de toegestane maximumsnelheid van de band aangeeft in km/u. De letters staan voor gedefinieerde snelheidscategorieën (hier afgebeeld: SI voor personenauto's).

Voldoen aan de draairichting 
Banden met een speciaal loopvlakontwerp beschikken vaak over een aanduiding als "rotation", "direction of rotation" of "direction" in combinatie met een draairichtingpijl. Bij het verwisselen van banden moet rekening worden gehouden met deze draairichting.

Tubeless (9)
Personenauto's zijn meestal van het tubeless type. Ander types zijn niet meer van deze tijd en vaak ook niet meer toegestaan.

Productiedatum (10)
In het coderingssysteem (de zogenaamde DOT-code) geven de laatste drie cijfers van de code de productiedatum weer. De eerste twee cijfers geven de productieweek aan, het laatste cijfer is het eindnummer van het jaar. Voorbeeld: 409 = 40e week, 1999. De jaren 1990 worden aangeduid middels een kleine driehoek (direct naast het driecijferige getal). Vanaf 1 januari 2000 worden er vier cijfers gebruikt in de code: 0100 = 1e week, 2000..

Slijtage indicator “TWI” (11)
Wettelijk moet een band over minimaal 1,6 mm profiel beschikken. Om tot zover door te rijden op versleten banden is echter niet aan te raden: Over het algemeen zijn de vuistregels: Zomerbanden vervangen bij 2mm en winterbanden bij 4mm. Bij het beoordelen van de profieldiepte zijn de slijtageindicatoren (TWI) erg handig. Deze bestaan uit gelijkmatig verdeelde dwarsstreepjes in de langsgroeven over de hele bandomtrek die zichtbaar worden wanneer de band tot op 1,6 mm is afgesleten.

M&S (winter banden/all-season banden) (13) 
"MS" en "M+S" staan voor "Mud & Snow". Deze aanduidingen zijn vaak terug te vinden op winterbanden en all-season banden. Echter, de banden worden juridisch slechts als winterband aangemerkt als er ook een sneeuwvloksymbool bij vermeld staat. Daarnaast zijn er enkele landen, zoals Oostenrijk, die minimaal 4 mm profieldiepte voorschrijven. Winterbanden met minder profiel worden dan als zomerband beschouwd. 

“E” markering
Het ECE-goedkeuringsmerk wordt gesymboliseerd door een E of e. Het bevestigt dat de band voldoet aan de Europese norm (ECE-R 30).  Opmerking: Vanaf productiedatum 1/10/98 (DOT code 408) is deze aanduiding op de band verplicht in Europa. Als onderdeel van een algemene inspectie zou een band met een latere productiedatum waarbij de E markering ontbreekt worden geclassificeerd als een "ernstig defect" aan het voertuig.